Terug naar vorige pagina

Paesens, Mounewei 4

Bouwjaar: 1861

Toen:
Stellingmolen: Achtkantige molen met stelling, genaamd ‘De Hond’ en gebouwd in 1861.

Functie: Koren- en pelmolen

Bijzonderheden:
De molen is in gebruik geweest tot ca. 1950 waarna hij in verval raakte.  In 1968 werd de Vereniging ‘De Hollandsche Molen’ eigenaar. In 1977 ging de molen over naar  Stichting ‘De Fryske Mole’.
De laatste restauratie werd in 1995 uitgevoerd.

 

Geschiedenis
Nadat de molen op het Roptaterrein ten noorden van Metslawier een rendabel bedrijf was gebleken, vroegen in 1861 H.F. Ritzema uit Surhuisterveen en R.G. Sijtsema uit Rottevalle vergunning te Paesens een koren- en pelmolen te bouwen. Nog in hetzelfde jaar kon de molen in gebruik gesteld worden door W. en L. Stuivinga uit Leeuwarden. Na ruim 20 jaar gemalen te hebben, vertrok de molenaar naar Blija en werd zijn werk overgenomen door J.F. Dam uit Burum, die de molen tot 1925 bemaalde. Zijn weduwe en zoon zetten het bedrijf voort tot na 1945, waarna de molen in verval raakte. In 1953 werd sloopvergunning verleend, doch daarvan werd geen gebruik gemaakt totdat ten slotte de molen in 1968 gekocht werd door de vereniging ‘De Hollandse Molen’, die een restauratie tot stand bracht. Hierbij werden onder andere de gehele basis en de opbouw van de kap, de staart en de stelling vernieuwd. Voorts van het staande werk een groot deel van de kruisen, een deel van het boventafelment, het gehele ondertafelment (van eiken), de balklaag van de stellingzolder en de draagbalk van de koningsstijl, terwijl bij twee stijlen een eiken las werd aangebracht. Van het gaande werk het bovenwiel, een deel van de bovenbonkelaar en van het spoorwiel, één koppel stenen en de roeden, waarbij een oudhollandse ophekking de zelfzwichting verving.

In 1977 vond opnieuw een restauratie plaats. Hierbij werd onder meer een bintbalk (van de onderste bintlaag) vernieuwd, terwijl bij nogmaals twee stijlen naaldhouten laseinden aan de onderzijde werden aangebracht.

Het staande werk
De gemetselde voet is gefundeerd op stiepen; hiertussen bevinden zich de veldmuren. De stiepen blijven zowel in- als uitwendig als pilasters zichtbaar. Boven de toegang bevindt zich een steen met een afbeelding van een hond en het jaartal 1861. In de voet bevinden zich, de stellingzolder inbegrepen, twee zolders. Het onderachtkant is bekleed met gepotdekselde delen.

Het met riet gedekte grenen achtkant is gebouwd volgens het algemene systeem, maar bezit op noordelijke wijze drie bintlagen. Tussen de tafelmenten bevinden zich ter hoogte van de bintlagen de veldregels, waardoor de velden in vier vakken worden verdeeld. Terwijl in het bovenste van deze vakken de hondsoren zijn aangebracht en in dat daaronder een enkel kruis is geplaatst, worden de beide onderste vakken gezamenlijk versterkt door een de regel snijdend kruis. In latere tijd heeft men bij de bovenste twee vakken een extra kruis aan de binnenkant aangebracht, terwijl men hetzelfde heeft gedaan in het vak op de steenzolder; de molen is dus verkruist.

De basis van de kap en de spanten zijn van eiken, het voor- en achterkeuvelens van grenen. De eiken lange spruit wordt als middelbalk en tevens als ijzerbalk gebruikt. Op de baard, vernieuwd bij een restauratie met een ander profiel, de naam van de molen, ‘De Hond’, met de jaartallen 1861 en 1970. De kap is kruibaar op de voor het noorden typische kruiring; de staart heeft een kruilier.

Het gaande werk
Wieksysteem: oudhollands, voorheen op de buitenroe zelfzwichting, stalen roeden, vlucht 19 meter. Gietijzeren doorboorde bovenas, gegoten in 1904 door de firma H.J. Koning te Foxham. Bovenwiel met Vlaamse vang, luiwerk, één koppel koren- en twee koppels pelstenen.

Molenaarshuis
Bij de molen staat een eenvoudig breed woonhuis onder schilddak, als dwarshuis voor een deels met riet gedekte schuur gebouwd. Het zal ook uit 1861 dateren.

Terpen en de bebouwing daarop
Ten zuidoosten van het dorp zijn drie terpen beschermd die 11e-eeuwse woonplaatsen geweest kunnen zijn.